Waarde rector, en edele, wijze, lieve, bijzondere aanwezigen: goedemorgen en hartelijk dank voor uw aanwezigheid bij dit speciale moment, vooral ook onder deze uitdagende omstandigheden.
Professor Otterspeer, gespecialiseerd in universiteitsgeschiedenis, dank voor je woorden.
En laat ik allereerst van dit moment gebruik maken om jou, Willem, hartelijk te danken voor bijna 12 jaar aandachtige, zeer deskundige en uiteraard ook geduldige begeleiding bij het aanbrengen van dit werk.
Eveneens mijn enorme dank aan alle stuk voor stuk geweldig aardige medewerkers van dit gebouw. Om te beginnen met de mensen die ik ‘s ochtends altijd als eerste zag, de portieren. Dit zijn Mw Barbara de Roo, Mr. Pieter van der Meulen, Mr. Rens van den Ark, Mr John Laterveer, en Mr. Hans van de Wetering. In welke stemming ik ook aankwam ‘s ochtends, van de praatjes met jullie werd ik altijd direct vrolijk.
En dan zijn er de niet minder amicale zogeheten pedellen, in alfabetische volgorde Frank Geerlings, Rob Vervark, en Erik van Zuylen. Jullie zijn eveneens altijd mijn grootste vrienden geweest hier.
Tevens wil ik ook nog even genoemd hebben: Mw Corrie van Maris, mijn eerste contactpersoon, die mijn bliksemsnelle schilderstijl echter na een jaar niet meer aankon, en toen de boel overdroeg aan Willem.
Rogier van Vugt, hoofd van de Hortus Botanicus, zonder wie die prachtige bloemblaadjes nooit deel waren geworden van de schildering.
En collega kunstenares Sadaf Nadimi, zonder wie die bloemblaadjes er ook niet waren gekomen.
Ook zou ik graag mijn moeder bedanken, Ruti Vijslingz, die er altijd voor me is geweest, en die deze week de prachtige leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, [een klein applaus mag]. Op dezelfde dag kwam tevens de Spaanse vertaling van haar nieuwe boek uit, the female aspect of god and of everything’, in het Spaans, ‘el aspecto feminino de dios y de todo’, beide voor 12,95 verkrijgbaar op Amazon.com.
Overigens at ik eergister een taartje met mijn jarige moeder, en las ik haar mijn notities voor dit praatje voor. Na afloop vroeg ze mij: Uri, ben je boos op de universiteit? Nee, waarom denk je dat, vroeg ik.
Mijn moeder meende een ietswat kritische toon in mijn woorden te ontwaren. Mocht u dat ook denken zometeen als ik uitgesproken ben, sta mij dan toe u bij voorbaat gerust te stellen: zowel jegens mijn MATER als jegens mijn ALMA MATER, koester ik niets dan liefde en bewondering. Enige vermeende kritiek is louter opbouwend en liefdevol bedoeld.
Last but most certainly not least, omdat de centrale spil van dit alles uiteindelijk het onderwijs is, wil ik in het bijzonder danken voor hun komst vandaag mw Renee de Vries, en meneer Hans Prins. Respectievelijk mijn tekenlerares, en mijn geschiedenisleraar op het stedelijk gymnasium hier te Leiden. Jullie beiden hebben vanaf moment een altijd voor 200% in mij geloofd, en dit vertrouwen is me altijd bijgebleven, en begeleidt mij tot op de dag van vandaag.
Mevrouw de Vries, ik hoop dat mijn schidering u niet teleurstelt.
Meneer Prins, ik hoop dat het praatje dat ik hier ga houden u niet teleur stelt. Ik sta namelijk op het punt met u allen een korte maar vrij diepe duik in de historie te nemen. En dan bedoel ik niet het jaar des heres 2008, toen ik de opdracht won om deze schildering te mogen maken.
wat die 12 jaar betreft, dit lijkt u misschien wel een zeer lange tijd om een kunstwerk in te vervaardigen, maar voor een werk van a) deze afmetingen - de schildering is 4 bij 21 meter groot - dat b) te meer deel wordt van een monumentaal en fenomenaal pand als dit, is 12 jaar niet zozeer een extremiteit, eerder een goede gemiddelde.

Aan Het laatste avondmaal heeft Leonardo da Vinci weliswaar slechts 3 jaar full time gewerkt, aan zijn Mona Lisa echter volgens sommige kunsthistorici wel 17 jaar.

En de twee delen van de fresco’s in de Sixtijnse kapel van Michelangelo hebben weliswaar 4+6= samen 10 jaar geduurd om te maken…

De zogeheten ‘poorten van het paradijs’ van Lorenzo Ghiberti, zo’n 50 jaar eerder gecreeerd in Florence, namen echter niet minder dan 27 jaar in beslag.

De Franse iconische beeldhouwer
Auguste Rodin begon een kleine 400 jaar na Ghiberti aan zijn ‘poorten van de hel, eveneens een sculpturale poort, de titel waarvan overigens verwijst naar hetzelfde Inferno van Dante, waar deze tekst achter mij naar verwijst. Die poort van Rodin is in feite een enorme beeldengroep, waaruit zijn bekendste werken zijn voortgekomen, zoals ‘de kus’ en ‘de denker’. In totaal heeft Rodin er 37 jaar aan gewerkt. 

Rond dezelfde tijd dat Rodin aan zijn poort begon, en overigens Leidse student Victor de Stuers zijn ‘gradus ad parnassum’ tekende, vatten niet ver van die twee, ook in Frankrijk, een mensenrechtenactivist genaamd de Laboulaye, en de beeldhouwer Bartholdi het idee op om de verenigde staten van Amerika, die kort daarvoor de slavernij hadden afgeschaft - een nationaal geschenk aan te bieden. Een groot nieuw standbeeld, moest het worden, getiteld:
La Liberté éclairant le monde. Oftewel:Liberty Enlightening the World
Vandaag de dag ons beter bekend als het Vrijheidsbeeld, of the statue of Liberty. Tijd tussen eerste idee en onthulling uiteindelijke werk: 16 jaar.


Als u nu goed heeft opgelet bij deze opsomming van kunstwerken van de lange adem, is het u wellicht opgevallen dat al naar gelang we dichter bij de 20e eeuw komen,  de opdrachtgevers weliswaar seculierder worden... maar dat nog steeds de meeste van deze werken die zo lang hebben geduurd om te vervaardigen, opdrachten zijn geweest van kerken.  
Dit gebouw waar we nu staan, is eveneens ooit gebouwd als klooster. En het instituut ‘universiteit’ is in Europa voortgekomen uit de kerk.  
 

Zolang
de universiteit nog deel vormde van de almachtige kerk, deelde ze met dat instituut ook haar bestaandoel: te weten, een brug vormen tussen Hemel en Aarde. Eeuwenlang was veruit de belangrijkste faculteit aan elke universiteit in Europa die van de theologie.  
 

Dit
was nog altijd het geval in 1574, toen Willem van Oranje na het verdrijven uit de Noordelijke Nederlanden van het grootste rijk op aarde uit die tijd – Spanje - en de aan haar gelieerde oppermachtige Katholieke Kerk, achterbleef met een gebied dat weliswaar zijn zelfstandigheid had bevochten en gewonnen, maar binnen die nieuwe grenzen geen enkele noemenswaardige onderwijsinstelling had.  
 

Die moest dus from scratch opgericht worden. Maar, nu die Oude Kerk met al haar bedorvenheden eindelijk de deur was gewezen, in het teken waarvan moest die nieuw op te richten onderwijsinstelling dan staan? 
 

Omdat we de brief nog hebben waarin Willem van Oranje in hoogsteigen persoon opdracht geeft tot de oprichting van een nieuwe universiteit, en Leiden als locatie suggereert, waarschijnlijk om de dappere rol die de stad vervulde in het verzet tegen den Spanjaard, hetgeen elk jaar rond begin Oktober nog enthousiast gevierd wordt, voor de niet-Leidenaren onder u, hebben we enig inzicht in zijn beweegredenen, en in zijn visie voor het splinternieuwe onderwijsinstituut.  
 

De hele brief voorlezen zou net iets te lang duren, en van Oranje’s zinnen zijn ook nogal wollig. Maar we kunnen uit van Oranje’s brief wel 6 redenen destilleren, waarom het oprichten van die universiteit zo nodig en belangrijk zou zijn.  
 

Willem van Oranje heeft het in die brief over: 
 

1) Direct in de openingszin: een vast steunsel ende onderhoudt der vryheit,  
Uit de rest van de zeer lange zin die met deze woorden begint, kunnen we opmaken dat hij hiermee iets bedoelde als dat dit kleine gebied voortaan zichzelf zou moeten gaan besturen, en dat goede bestuurders natuurlijk eerst een goede opleiding nodig hebben.  
 

2) noch sullet ghylieden den standt des landts daermede alsoe verzekeren dat die vyanden desselfs nemmermeer soe lichtelick en sullen haere vierighe tirannie ende verdruckinghe so des goddelicken diensts als der vryheyt der landen tsy met gewelt ofte met listicheyt konnen wederoprichten.  
 

Oftewel: de oprichting van een universiteit zou helpen om de tyrannie buiten de deur houden. Echter, op welke manier precies volgens Willem van Oranje de oprichting van een universiteit de tyrannie buiten de deur zou houden, wordt uit deze brief althans niet direct duidelijk. Hierover zo direct meer.  

3) Overmits dat eene alsodaneghe schole ende universiteyt niet anders wesen en sal als een vast blochuys ende bewaernisse der gantscher landen ende mede eenen onverbrekelicken bandt der eenicheyt der selven niet alleen onder m'elcanderen maer oock met alle aenpalende provincien. 
Hier zinspeelt WvO duidelijk op een functie van de U als bevorderaar van nationale eenheid.
4) Beneffens ooc dat die borgheren ende inghesetenen der voorgenoemde landen daerdoor veroorsaeckt wesende haer kynderen binnen slandts te houden,
Dit gaat over het tegengaan van wat we vandaag brain-drain zouden noemen. 

5) ja oock die nabueren van allen zijden gelockt die haere alhier te schicken, sal daeromme die jeucht wel ende duechdelick onderrichtet werdden,  

Hier lijkt Willem van Oranje te zeggen dat een Universiteit niet alleen de kinderen binnenslands houdt, maar ook slimme lui van buiten de landsgrenzen aantrekt, hetgeen volgens hem ervoor zou zorgen dat de lokale jeugd ‘deugdelijk’ onderricht zou worden. 
6) last but not least: het gelt binnen slandts blijven ende die cleyne ontcosten welcke daer inne nootelick moeten vervallen menichfout vergouden ende met grooten proffijcte ende woecker den landen ende den inghesetenen der selven ten oirboor commen. 
Collegegeld zou voortaan niet meer enkel naar het buitenland vloeien. Ook geen onbelangrijke overweging, uiteraard, voor een klein land dat net haar politieke zelfstandigheid had bevochten en gewonnen, maar haar financiele zelfstandigheid nog moest zien uit te vinden. 

Deze argumenten hebben op de staten van Holland en Zeeland indruk gemaakt. En daarom staan en zitten we hier vandaag, en heeft de universiteit een maandje geleden haar 445-jarig bestaan gevierd. Die eerste woorden van de brief van Willem van Oranje zijn het motto van de universiteit geworden, en staan zelfs in het logo, of wapen van de universiteit.
 
Maar, hoe mooi die woorden ons ook in de oren klinken, praesidium libertatis in het latijn, Bolwerk van Vrijheid, Bastion of Liberty, als bewonderaars en levenslange leerlingen van de immer kritische geest van de wetenschap, kunnen en moeten we ons ook afvragen:  
(ik stipte het net al aan) Hoe bewerkstelligt het bestaan van een universiteit de vrijheid van mensen? 
En in hoeverre zijn deze ideeen uit de laat-16e eeuw, nog direct transleerbaar naar de vroeg-21e? 
 

Voor Willem van Oranje en zijn medestanders was het allemaal vrij duidelijk. Zijn zes argumenten kunnen, als we zo vrij mogen zijn om ze te resumeren, teruggebracht worden tot drie hoofdpunten: 
A) een vrij land moest haar toekomstige bestuurders zelf kunnen opleiden;  
B) Zowel de human als de financial resources , zijnde de getalenteerde jeugd en het lesgeld dat hun ouders betalen, moesten binnen de landsgrenzen gehouden worden;  
en C) die jeugd moest natuurlijk les krijgen in het ‘Ware Geloof’, het destijds kersverse Protestantisme, vrij van de wrede onderdrukking hiervan door de Katholieke koningen van Spanje.  
 

Als we ons dan afvragen in hoeverre deze pijlers nog op onze huidige werkelijkheid te betrekken zijn, moeten we observeren dat er anno 2020 op het wereldtoneel niet veel tyrannen te vinden zijn waarvan we redelijkerwijs kunnen vermoeden dat ze in het geheim plannen zitten te smeden om Nederland al dan niet opnieuw te invaderen en te bezetten.  
 

Wat betreft het binnen de landsgrenzen houden van de jeugd, in het onderwijs is internationalisering al jaren het devies en de almaar groeiende tendens. 23% van de bachelor studies in Leiden worden vandaag niet in het NL maar in het Engels aangeboden. Van de masteropleidingen, vandaag is (of was althans) hiervan de open dag, is dit zelfs 74%.  
 

En vrijheid van godsdient, zowel in het onderwijs als daarbuiten, wordt sinds de schoolstrijd beslecht is in 1917, al een dikke eeuw, gegarandeerd met een stevige verankering in de wet.  

 
Dus op welke manier waarborgt de universiteit vandaag de dag nog ‘de vrijheid’?  
Of preciezer gesteld, welke vrijheden waarborgt dit ‘Bolwerk’ dan precies? 
En over welke vrijheid had Willem van Oranje het eigenlijk in die brief, en heeft dat uberhaupt nog enige relatie met wat we vandaag onder dat woord verstaan? 
 
Het dient hierbij allereerst opgemerkt te worden dat het instituut universiteit  
zoals we deze vandaag de dag kennen eigenlijk helemaal niet ‘vrijheid’ als haar bestaansdoel ziet, maar waarheid. En om het iets minder abstract en romantisch, en iets pragmatischer te zeggen, niet precies waarheid an sich, alswel kennis.  
 

Als we vervolgens de vraag stellen wat voor soort kennis het instituut universiteit dan nastreeft, dan komen we al snel uit bij dat andere instituut dat het bestaan van de universiteit mogelijk maakt:  
de staat. Deze is erin geinteresseerd haar macht te behouden en als het even kan ook te vergroten. In het Europa van de 16e eeuw, na de ontdekking van het Amerikaanse continent, begon men voor het eerst te begrijpen dat kennis macht is.  
 

Dit blijkt ook glashelder uit de brief van Willem van Oranje aan de staten van Holland en Zeeland: van Oranje bepleit hierin niet de oprichting van een ‘schole ofte universiteit’ omdat hij vindt dat het nastreven van waarheid of kennis op zichzelf waardige doelen zijn – zoals we de bestaansreden van de universiteit vandaag plegen te zien. Die woorden komen zelfs helemaal niet in de brief voor.  
Nee, hij windt er geen doekjes om dat hij in het oprichten van een instituut gewijd aan de constante verwerving van kennis een instrument ziet voor puur staatkundige doeleinden.  
 

Het is tevens belangrijk om in gedachten te houden dat waar Willem van Oranje op doelde met het gebruik van dat woord ‘vrijheid’, niet hetzelfde is als wat wij vandaag de dag onder dat woord verstaan. Immers, met ‘vrijheid’ werd in deze streken in de late zestiende eeuw vooral bedoeld de ontsnapping aan het juk van het destijds grootste machtsapparaat op aarde: de Katholieke kerk, en de koningen die haar invloedsfeer alsmaar trachten te consolideren en vergroten.  
De voorheen onderdrukte Protestanten konden na de overwinning op de Spanjaarden in de Republiek der Nederlanden voortaan vrijelijk hun nieuwe geloof belijden. Voorbij was het daarmee vanaf toen met de zo gehate aflatingen waarmee goddelijke vergiffenis en plekjes in de hemel gekocht dienden te worden.
Hugo de Groot schreef aan deze universiteit een aantal decennia later, in 1609, het fameuze boek ‘Mare Liberum’, de ‘vrije zee’. De volledige Latijnse titel hiervan laat weinig aan de verbeelding over wat voor soort vrijheid de Groot, die toen ‘vermoedelijk lid was van de kamer van de VOC’ hier voor ogen had. Die volledige titel luidt namelijk: ‘Vrije zeevaart of uiteenzetting over het recht van de Nederlanders om in Indië handel te drijven’.

Zoals een huidige tentoonstelling in de Universitaire Bibliotheek, een steenworp hiervandaan, aan de hand van teksten en prenten uit die tijd toont, waren er nochtans allerlei soorten vrijheden die niet onder het toenmalige begrip vielen.

Als je bijvoorbeeld als man kussend met een andere man betrapt werd in de Nieuwe Republiek der Vrije Nederlanden, werd je evengoed met een loden bal aan je been het IJ in ‘gesodemieterd’ – waar wij nog altijd die term aan hebben overgehouden [homoseksualiteit werd tot niet zo heel lang geleden aangeduid met de Bijbelse term ‘sodomie’].  
En als je als Noordelijke Nederlander toch liever Katholiek bleef, of je woonde op Java, of, in Ghana, om maar een voorbeeld te noemen, dan kon je al met al op ‘vrijheid’ toch niet zo heel veel aanspraak maken, tegenover de vertegenwoordigers van die vrije Republiek der Nederlanden.  
 

Als nu de universiteit Leiden al sinds 1575 heeft bestaan, min of meer gelijktijdig geboren met de Republiek zelf, waar was ze dan precies, als ‘Bolwerk van Vrijheid’, eeuwenlang, terwijl jongens van 16 nog tot in de 19e eeuw het IJ in werden gegooid omdat ze een andere jongen een kusje hadden gegeven;

of toen Javanen en andere Indonesiers bij bosjes afgeslacht werden als ze net iets meer of net iets minder nootmuskaat wilden verbouwen dan die kloeke Vrije Nederlanders ze voorschreven; of toen honderdduizenden Afrikanen in Nederlandse schepen naar Amerika werden vervoerd om als slaven doorverkocht te worden? 
 

Was er in al die eeuwen dat dit gebeurde, dan geen enkele rector, professor, of student aan dit Bolwerk van de Vrijheid, in wie het idee opkwam dat er toch iets van een tegenstrijdigheid aan de gang was tussen die mooie en heldhaftige leus, en die verdomd lelijke en voor zovelen onvrije realiteit…? Het lijkt er niet op.  
 

Evenmin lijkt er aan het Bolwerk van de Vrijheid veel gediscussieerd te zijn over de vraag waarom je zelfs als Protestante rasechte Nederlander tot diep in de 19e eeuw nog altijd dikke kans had om tegen een zeer dichte deur aan te lopen als je hoger onderwijs wenste te volgen. Te weten, als je als vrouw was geboren.  
Vond dan geen enkele rector, professor of student dit in strijd met het idee van vrijheid, driehonderd jaar lang? Blijkbaar niet.  
 

Ja, oke, dit is alweer allemaal ver terug, zouden we kunnen zeggen. Vandaag de dag, hebben we van de donkere bladzijden van het verleden geleerd, en staan we op het gebied van alle soorten vrijheden, als een Blockhuys.  
 

Wel, ook dit valt helaas wat tegen, als we voorbij de mooie leuzen en fier wapperende vlaggen kijken. Toegegeven, vrouwen mogen vandaag de dag studeren. In Leiden vormen ze met 60% zelfs de meerderheid van de studentenpopulatie.

En er zijn meer hoopgevende signalen in Leiden.. zo zijn 29% van de hoogleraren vrouw, waarmee Leiden de derde plek inneemt van universitaire gender gelijkheid in NL, en zijn in 2019 voor t eerst meer vrouwen dan mannen gepromoveerd…
Maar heeft
Leiden in haar 445-jarige bestaan weleens een vrouw als rector aangesteld?

En ja, de eerste niet-Europese student mocht zich inschrijven rond het jaar 1900, en vandaag de dag studeren 122 verschillende nationaliteiten aan de universiteit… van de masterstudenten heeft 29% een niet-nederlandse nationaliteit.
Deze jonge mensen zijn inderdaad vrij om zich in te schrijven en onderwijs te volgen aan dit instituut.  
 

Maar wanneer
een student uit, ik noem maar een voorbeeld, Saudi Arabie, als alumnus vervolgens zijn leven niet zeker is omdat hij kritisch over het regime in zijn land schrijft, zal dit Bolwerk van de Vrijheid dan aan de hand die haar voedt, de staat der Nederlanden, adviseren om haar economische banden met de vrij letterlijke tyrannen aldaar zo niet te verbreken, dan op z’n minst op een lager pitje te zetten?

Het antwoord is nee, want zo werkt het niet. Daarvoor zijn de handelsbelangen te belangrijk.
 
Toen ik in de archieven van de historie van de universiteit dook om dit praatje voor te bereiden, vond ik onder andere dat met betrekking tot de leus – oorspronkelijk zoals alles wat met de universiteit te maken had, in het Latijn geformuleerd – er lange tijd onenigheid is geweest over of het nou libertatis praesidium, of praesidium libertatis moest zijn.
In het Latijn met haar naamvallen, is dit een puur taal-esthetische kwestie: de betekenis verandert geenszins door deze of gene volgorde van de woorden.
In het moderne Nederlands is dit echter wel het geval. Na bijna vier en een halve eeuw universiteitsgeschiedenis, en aan het begin van alweer het derde decennium van de 21e eeuw, is het misschien toch goed om af en toe in de spiraal die de tijd is zowel omlaag, omhoog, als rondom ons te kijken, en ons af te vragen, juist wanneer we onszelf en elkaar feliciteren met het afronden van een intens studieproces:
In hoeverre staan we hier daadwerkelijk voor het Bolwerk van de Vrijheid, en in hoeverre slechts voor de Vrijheid van ons eigen Bolwerk?

 
Dank U wel.
 
 
 








Back to Top